Het opgeroepen gevoel en een schilderij

Reflectie:

Vanuit de toeschouwer bezien.

In deze korte beschouwing is het geenszins de bedoeling een overzicht te geven van een kunst filosofische contemplaties m.b.t. tot esthetica, oordeelsvermogen en kwaliteit van kunst. Drie zeer bekende filosofen wil ik in dit verband m.b.t. het opgeroepen gevoel kort noemen.

Ten eerste Kant die in zijn werk drie centrale thema’s, te weten “kennisvermogen”, “morele oordelen” en “oordeelsvermogen” uitvoerig beschreven heeft.  Zonder hier verder op in te gaan, komt Kant tot de volgende stelling: “Het esthetische oordeel is een subjectief oordeel op basis van de zintuigen, maar dat toch een zekere objectiviteit verkrijgt doordat er geen enkel belang van de toeschouwer bij komt kijken”. (1) Meerdere domeinen worden door hem beschreven die het opgeroepen gevoel (oordeel) bij het zien van een schilderij (object) beschrijven. Belangrijkste domeinen hierin  zijn het “aangename”, “het schone” en “het goede”, die zich verhouden tot het opgeroepen gevoel binnen onze perceptie bij het zien van een schilderij (object).  Deze filosofische begrippen zijn in feite waardenbegrippen die ook betrekking hebben op voldoening, aanspreekbaarheid, waardering naast belang, kennis, verbeeldingskracht en inzicht. (cognitieve vermogens)

Ten tweede Nietzsche die de diepste oorsprong van de beeldvorming ziet in de droom, een spontane, onbewuste vorm. “De artistiek gevoelige mens verhoudt zich tot de werkelijkheid van de droom. Droombeelden zijn beelden die het leven zelf schept, het leven ervaart deze artistieke activiteiten met intense lust en blijde onvermijdelijkheid. De schone schijn van de droombeelden, in de schepping waarvan ieder mens een ware kunstenaar is, is de voorwaarde voor alle beeldende kunst.”. (2)  Voor sommigen is het deze droom die zij als toeschouwer onbewust binnen bovengenoemde gevoelsdomeinen willen herbeleven, voor anderen niet.

Ten derde Freud die zegt dat het artistieke maak proces zich ook in onze dromen, de toeschouwer, afspeelt. De toeschouwer ondergaat een onbewuste emotionele beleving die aan een wensvervulling of gevoel van wegnemen van spanning voldoet of onze onderdrukte wensen en gevoelens  kan verdrijven. (3)

Vanuit de cognitieve psychologie en neuropsychologie is er in de laatste decennia veel literatuur voorhanden die vooral een antwoord wil geven hoe kennis, kleur en materie deze input in onze hersenen verwerkt. Samenvattend kan men zich afvragen hoe de relatie en grootte tussen onze onbewuste gevoelens en onze cognitieve vermogens zijn in de totale beoordeling van onze observatie die opgeroepen gevoelens kunnen verklaren.

Vanuit de kunstenaar bezien.

Een kunstenaar kan omschrijven wat hij/zij met zijn/haar werk bedoelt, wil uitdrukken of wil oproepen. Toch heeft de kunstenaar geen invloed op de gedachten en gevoelens die zijn kunst werkelijk bij zijn publiek oproept. De toeschouwer bekijkt en beleeft immers het schilderij met zijn/haar gedachten en gevoelens. Het is vanuit het idee, de compositie en kleur, dat gedachten en gevoelens opgeroepen kunnen worden en zich als het ware bij het schilderij  voegen en niet omgekeerd. (4)

Bij hoger abstractieniveaus zal het ingewikkelder worden om de opgeroepen gevoelens te verklaren. Taal zal dan een medium worden dat het kunstwerk in zijn perspectief plaats. (concept) Of de schilder in zijn opzet slaagt dat zijn publiek daadwerkelijk wordt ontroerd bij het bekijken van zijn/haar schilderijen, hangt niet van hem/haar af. De mate van reflectie en of gevoelens van de toeschouwers bij het zien van een schilderij zullen uiteenlopend van aard zijn.  Uiteraard bezit een schilderij deze gevoelens niet. “Het foutieve idee dat schilderijen gevoelens zouden uitdrukken is te wijten aan de onuitroeibare neiging tot interpretatie die mensen steeds hebben bij het bekijken van een schilderij”. (5) Een kunstwerk kan ons ertoe verleiden om zijn schoonheid te bewonderen, maar kan ook aanzetten tot nadenken of reflecteren over de mogelijke betekenis van dat kunstvoorwerp. Het mysterie van gevoelens oproepen, is het ultieme kenmerk van de kunst in het algemeen en van de schilderkunst in het bijzonder.

“Wat is nu de relatie tussen het “opgeroepen gevoel” met de kunst en het ambacht”

In de oudere expressietheorieën leidend  vanuit vakmanschap, werd de focus op het oproepen van emoties bij de interpretatie van een schilderij bij het publiek gelegd. Tegenwoordig wordt binnen de kunstfilosofie erg veel nadruk op het brein, te weten cognitie, verbeeldingskracht en domeinen als fantasie of intuïtie, van de kunstenaar gelegd. In “Art and craft “ bespreekt Collingwood de opvatting dat naast de technische vaardigheden de zelfexpressie in een kunstwerk onmiddellijk  in de verbeelding van de kunstenaar aanwezig is. (6) Collingwood: “ Door de gelijkstelling van expressie en verbeelding bestaat het ware een kunstwerk al in de geest van de kunstenaar”. Croce voegt hieraan nog toe dat de domeinen fantasie en intuïtie naast techniek het kunstwerk betekenis geven. (7) In feite worden de domeinen cognitie, verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie” tegenover het vakmanschap geplaatst.(8) Alle genoemde domeinen zijn in essentie een activiteit van het potentiele bewustzijn dan wel onderbewustzijn van de kunstenaar. M.a.w. men kan het werk veeleer op basis van zijn beeldtaal, dan op basis van zijn technische virtuositeit onderscheiden en daardoor uiteenlopende beelden creëren die tot het oproepen van diverse gevoelens kan leiden. (9)  Opmerkelijk blijft dat de toeschouwer de toegang tot zijn/haar verbeeldingskracht niet altijd ongeremd kan aanspreken. Vrij van denken blijft een voorwaarde.

 “Concept”

Bovengenoemd gedachten experiment volgend kan men stellen dat de hele opzet van een schilderij een idee (concept) is, dat naast technische vaardigheden bestaat uit onderdelen zoals cognitie en domeinen als verbeeldingskracht en fantasie etc.. Het idee, de planmatige gedachten, kan niet visueel worden waargenomen. Wat wel zichtbaar is in het schilderij, is de expressie in beeldtaal. Belangrijk is de visie dat “wat schilderen”, belangrijker kan zijn als “hoe schilderen”. In de moderne kunstfilosofie spreekt men van een concept als in  vernieuwde kunstvorm de “cognitie en verbeeldingskracht” als inbreng dominant over het  praktische kan bestaan”. “Alleen de inventiviteit van de kunstenaar is bepalend voor zijn artistieke kwaliteit.” (10) Kosuth stelt verder dat het wezen van de kunst het idee is en niet de representatie, noch de vorm, hij verwerpt de morfologische rechtvaardiging van kunst“. Volgens moderne  opvattingen speelt taal een belangrijke  rol in de Conceptuele Kunst, maar vooral de ervaring en bewustwording bij het zien speelt een centrale rol. De taal kan betrekking hebben op maatschappelijk geëngageerde thema’s of filosofische statements, maar ook gebruik van bijzondere materialen of uitingen kunnen verwijzen naar bovengenoemden. Bekende voorbeelden zijn Marcel Duchamp, de uitvinder van het concept ‘Ready Made Art’ , die met zijn urinoirs een statement tegen de gevestigde kunstorde maakte, Yves Klein een Frans kunstschilder, die in blauwe verf gedompelde naakt modellen op papier of doek, maar ook op muren afdrukte en hiermee ruimte met” immateriële beeldende gevoeligheid” vulde, of  de Brit Richard Long die natuurlijke materialen begon te incorporeren in zijn landschap schilderijen zoals stenen, bladeren, twijgen. Gedachten tijdens zijn wandelingen die zich ordenen. Zijn kunst is geëvolueerd  tot het leggen van rotspartijen en cirkels. Samenvattend kan men stellen dat taal niet de creatieve expressie van de kunstenaar beïnvloed, maar een toegevoegde waarde heeft om de kunstuiting bij observatie te duiden en te versterken. Het is aan de toeschouwer bij het zien zijn/haar opgeroepen gevoelens te verwoorden.

Deel deze pagina